Verschenen: 13 september 2018
Aan het einde van een werkdag worstel ik mij door de file die voor de merwedebrug staat. Na die worsteling is het meestal lekker doorrijden tot de afslag Werkendam. Ik neem daar de rotonde en rij richting de verkeerslichten. Deze springen prompt op oranje zodra ik er aan kom, mijn voorganger piept nog net de laatste halve seconde mee maar ik moet op de streep voor het rode licht. Terwijl het andere verkeer gaat rijden frunnik ik aan mijn radio, speel met de verwarming en luchtverversing, controleer of de versnelling in één staat.
En dan gebeurt het, ik kijk op en slaak een langgerekte en luide “nee!” waar Darth Vader jaloers op zou zijn. Al is het dat hij mij zou begrijpen wanneer hij zag wat net aan mij voorbij trok. Een tractor met een grote laadbak dendert aan mij voorbij, gevolgd door een stoet auto’s waar de automobilisten nogal verveeld kijken. Ik besef dat ik zometeen ook in die file zou zitten, en dan achteraan. Op het moment dat het licht op groen springt maak ik net genoeg haast om te laten lijken dat ik het meen, maar elke snelheid die ik nu aanneem is zinloos.
Tweehonderd meter verder moet ik in de remmen achter de file die is ontstaan door het landbouwvoertuig. Mokkend schakel ik terug en ga verveeld in mijn stoel hangen. Meer is er niet te doen. De Dijkgraaf den Dekkerweg is te kort voor heroïsche inhaalacties. En dat lijkt de arme donder die vlak achter de met knollen beladen bakwagen hangt ook te beseffen. Ik zie de vrouw, of man, niet. Maar ik heb zelf ook genoeg in die situatie gezeten om te weten wat hij voelt. Hij voelt de druk van alle auto’s achter zich om toch nog te proberen langs dit bakbeest te steken.
Het zweet in zijn handen, de auto zenuwachtig heen en weer bewegend. Spieken rond het hoekje en snel weer terugschieten wanneer er een auto van de andere kant passeert. Intussen denkt een chauffeur in een specifiek Duits automerk hetzelfde over mij. Hij vindt het maar niks dat ik langzaam ga rijden in een file en nadert mijn achterbumper zo dicht dat zijn voorbumper praktisch in mijn kofferbak ligt. Daarna laat hij zich weer terugzakken om enkele seconden later hetzelfde te proberen. Alsof ik ervan onder de indruk moet zijn dat zijn ster in mijn achteruitkijkspiegel te zien is, en alsof ik een keuze heb. Natuurlijk kan ik door het bestelbusje voor mij proberen te ploegen.
Maar dat geeft alleen maar rommel. Of, en deze gedachte vond ik zelf heel interessant, zijn auto maakt avances met mijn auto. Je leest wel eens over viezerikken die bij festivals tegen de billen van vrouwen en meisjes aanschuren. Dit is misschien zo’n Duitser die wel kleine autootjes wil maken met mijn auto. Dat er over negen maanden kleine Peucedesjes uit de mijne komen zetten. We bereiken, eindelijk, de rotonde waar we afscheid nemen van het landbouwvoertuig en de file in verschillende richtingen uiteen valt. Met medelijden kijk ik de bakwagen na. Als ik mij al ongemakkelijk voel, hoe moet de boer zich dan wel niet voelen? Na een rampzalige zomer met droogte en een bar slechte oogst wordt hij ook nog eens vervloekt omdat hij met zijn langzame voertuigen de rest ophoudt. Dezelfde mensen die van diezelfde boer een blaadje sla of spinazie eten. Nou ja, nu kan ik weer doorrijden. Tot de volgende tractor.