In de aanloop naar de verkiezingen spitte ik alle nieuwsbronnen door. In de hoop iets te vinden, een verhaal of misschien zelfs een schandaal. Dit deed ik bij alle denkbare bronnen. En ik was er zo fanatiek mee bezig dat ik bijna de kop over het hoofd zag dat de Kepler-Ruimtetelescoop was uitgeschakeld. Deze satelliet tuurde naar andere sterren en sterrenstelsels in de hoop planeten te zien. Natuurlijk is het onzinnig om over deze enorme afstanden die voor het menselijk brein bijna te groot zijn om te bevatten planeten daadwerkelijk te kunnen zien. Het is niet dat Kepler naar de overkant van de straat tuurt. Dus er was een handig foefje voor gevonden.
Wanneer het licht, of de lichtintensiteit, van een ster af nam kon men aannemen dat er een planeet voor de ster schoof. Aan de hand van hoe het licht werd geblokkeerd en in elke mate kon men ook weer weten wat voor een planeet het was en hoe ver die van zijn ster af stond op het moment van het passeren. Het is een wonderlijk iets, maar mij niet geheel onbekend. Ik voel namelijk een verbondenheid met de Kepler. Hij keek het duister en de oneindigheid van het heelal in. Dat in de hoop iets te zien, een beweging, een glimp. En ik doe eigenlijk hetzelfde wanneer ik in de donkere dagen voor Sinterklaas en Kerst in de auto stap.
Ik tuur door mijn voorruit en probeer iets te zien bewegen in het zwart. Want het lijkt wel alsof fietsers tegenwoordig het aandoen van een licht maar bijzaak vinden. Ik heb het hier niet over de grote konvooien scholieren. Deze zijn makkelijk te zien, en op de minstens twintig kinderen zijn er altijd wel een aantal met verlichting. Bovendien komt er licht van de mobieltjes waar ze de hele tijd naar turen. Ik heb het juist over die eenzame fietser of arbeider die in de avonduren over de weg gaat of in de ochtenduren naar het werk. Onverlicht verwachten ze alsnog gezien te worden door automobilisten. Ze steken over op vreemde plekken, halen halsbrekende toeren uit. En de chauffeur van dienst wordt geacht dat te voorspellen, en in de gaten te houden. Zonder dat ze te zien zijn. Het grote probleem schuilt, volgens mij, in het gebrek aan kennis van fietsers over hun zichtbaarheid.
Een auto is over het algemeen een kamer met glazen wanden. Maar als het voor de fietser schemerduister is voelt het voor de automobilist al als pikkedonker. En uit dat pikkedonker van buiten moet hij een kwetsbaar zwalkend object waar zien te nemen dat nauwelijks afsteekt tegen de achtergrond. Om nog maar te zwijgen over het overige verkeer dat wél zichtbaar is, en de eigen snelheid. Een paar jaar geleden spoorde een politieregio fietsers aan de verlichting aan te doen. Of, als alternatief, het donorcodicil op orde te hebben. Dit korps werd meteen verweten harteloos te zijn. Maar het is niet onwaar. Bijna duizend kilo staal met meer dan honderd paardenkrachten die het opneemt tegen een fiets van twintig kilo met een domme fietser die zijn licht niet aanzet? De uitslag mag duidelijk wezen. Wat de Kepler deed was wonderlijk, maar niet zo heel veel anders dan een automobilist doet.