Sinds ik gezonder ben gaan leven eet ik minimaal twee stuks fruit per dag. Ik weeg de havermout af, doe er blauwe bessen of zomerfruit bij en vul het aan met magere kwark en zaden en noten. En als spreekwoordelijke kers op de taart gooi ik er ook een mandarijntje en een appel bij. Het is deels voor de smaak, maar het is natuurlijk ook een olifantenpaadje; wanneer je bij je ontbijt al twee stukken fruit eet, heb je de rest van de dag niet de noodzaak een derde weg te kanen.
Appels en mandarijnen zijn dan weer mijn favoriete soorten fruit. De appel is lekker uit het vuistje, knapperig en zurig. En de mandarijn is makkelijk af te pellen en dan in nette partjes op te eten. En het geeft minder rommel dan een sinaasappel.
Maar er is één soort fruit die ik beschouw als een vrucht van de duivel zelf. Eentje die alleen in de diepste krochten van de hel kan zijn gekweekt. Een satansvrucht waar geen enkele andere vrucht -neen- eetsoort aan kan tippen! Op zoek naar een gezondere levensstijl kreeg ik deze vrucht nog net niet door mijn strot gedouwd.
Toen ik een periode vaak last had van kramp in mijn kuiten zocht ik op wat de oplossing was. En daar werd deze vrucht, dit symbool van het einde der tijden, aangeraden. Wanneer recepten worden besproken dan wordt het gebruikt als een vervanger voor alles. Je kan er koeken mee maken, pannenkoeken, papjes en hapjes. Je kan het snijden, pureren en frituren.
Het is een superfood bij uitstek. Makkelijk mee te nemen en makkelijk vers te houden. Zo vanuit het vuistje te eten. Makkelijker zelfs dan een appel of mandarijn! Zodanig zelfs dat de evangelist Ray Comfort het gebruikte als de voorzienigheid van god, dat die, in zijn wijsheid, de vrucht aan de aarde en de mensheid had geschonken. Daarmee liep hij blind voorbij aan het feit dat de wilde vrucht niet te eten is en pas na eeuwen van kruisingen en veredeling pas een fruitsoort is ontstaan die men als eetbaar kan beschouwen.
Voor de meeste mensen dan. Op mijn cruise naar de Canarische Eilanden heb ik meer bomen gezien dan mij lief was en leerde ik dat elke plant eigenlijk een kopie is van zichzelf. Omdat de vrucht geen zaden (meer) heeft kan alleen door verstekking een nieuwe plant worden aangelegd.
Dit maakt ze ook kwetsbaar. Een ziekte die één plant aantast kan een hele plantage naar de rand van de afgrond helpen. En ik kan, persoonlijk niet wachten op de dag dat dat gebeurt. Ik zal een parade organiseren, vuurwerk en toespraken geven. De bevrijdingsdag! Het zal eeuwig zomer zijn met warme dagen en koele nachten.
Maar hoe kom ik aan die haat? Volgens mijn moeder was ik een kleine smurf toen ik een van die krengen at en daarna moest kotsen. Sindsdien heb ik, volgens haar, een hekel aan die dingen omdat ik ze associeer met braken.
Nogal wiedes! Ze zijn niet te eten! Wat men ermee kan en wil doen heb ik eerder al uitgelegd. Maar als je daarna zegt dat je liever zonder zuurstof naar de Titanic wil duiken dan ooit nog één zo’n ding te eten kijken ze je vreemd aan.
“Maar het is zo gezond!”
M’n hoela! Gezond? Behalve het bewijs dat de mens slim genoeg is om zijn eigen vruchten samen te stellen is het het meest gebruikte object in natuurfilms voor volwassenen en de redding van huisvrouwen en weduwen! Het is niet gezond! Het is geen fijne vrucht! Het is niet bedoeld voor consumptie! Ik accepteer liever een vroege dood en de pijn van aanhoudende krampen dan dat ik ooit één zo’n ding eet!
Aan het begin van mijn GLI-traject kreeg ik een glucosemeter omgehangen. De conclusie was dat mijn motor onder de motorkap geweldig draaide, maar ik moest opletten met het fietsen naar het werk; dan kwam mijn bloedsuiker onder de kritieke waarde. Wellicht dat ik dit dan kon eten om het snel weer op peil te brengen. Neen! Dan maar dat mijn collega’s mij dagelijks staan op te wachten met een AED om mij weer op te starten. Een stroomstoot en een bak koffie zijn te prefereren boven wat ze voorstelden.
Kortom, ik heb een hekel. Een bloedhekel! Een extreem vurige haat en afkeer. Wordt al kotsmisselijk als ik alleen al denk aan het eten van een banaan!