Ergens vind ik het verbazingwekkend hoe plaatsen die gemaakt zijn voor mensenmassa’s en bedrijvigheid kunnen veranderen in doodse plekken. De bedrijvigheid is weg. De mensen zijn er niet. En wat over blijft is een onstille stilte en een eigen charme die je zelf moet zien te doorgronden.
Het is een sfeer die je kan proeven in winkelstraten in de avond. Het is niet meer licht, het is ook niet echt donker. De lantaarns branden, de reclames en producten worden beschenen in etalages. De koopjesjagers, shoppers en mensen met een doel zijn weg. De straatstenen door duizenden betreden vormen een harde ondergrond die nu zwelgt in stilte.
Misschien dat iemand nog snel door de weinige schaduwen tussen het valse licht door probeert te glippen. Een man, gestoken in een jas, met een klein opgewonden hondje. Een vrouw met een smartphone aan haar oor. Een fietser die op topsnelheid probeert deze plek van verlatenheid te doorkruisen. Onderweg van ergens, op koers naar iets. En nu even door het niets van de vallende avond.
Maar het was nu overdag. Ik was bezig met een goede en stevige wandeling door “mijn” deel van Werkendam. Langs de dijk, daarna de dijk over en weer terug via de havens. Normaal kom ik daar niet. Jaren terug een keer voor het werk. Ik moest iets afleveren bij een loods. Overal reden auto’s, sissende vrachtwagens. Racende fietsers en wandelaars op elk tempo. Auto’s, beladen en onbeladen stopten enkel voor kruisingen. Voor de rest voor niemand.
Tussen al dat verkeer en die bedrijvigheid laveerden speciale voertuigen. Shovels en graafmachines met hun rupsbanden. Heftrucks, gierend en piepend. Wie even stil staat kijkt naar een balletvoorstelling waar de dansers elkaars bewegingen niet kennen. Maar die hun uiterste best doen de danspassen van de ander in te schatten.
Als die heftruck over steekt dan is die net op tijd om die aanstormende Audi niet te raken. Die Audi moet dan weer afremmen om voorrang te verlenen aan een sissende en stampende vrachtwagen die brullend van rechts komt.
Nu niet. De vrachtwagens staan stil. Geen chauffeur die rijdt. Geen Audi die gas geeft. Geen heftruck die oversteekt. Best wel vreemd. Een beetje spookachtig. Er is een andere wandelaar. Een grote Dodge Ram trekt brullend voorbij. En daarna is het weer stil. De loodsen maken geen lawaai. De hijskranen draaien en tillen niet.
Bij de kades liggen de schepen die normaal doorheen het hele Rijn en Maasgebied goederen verschepen. Van haven naar haven. Gevuld met containers en kolen. Olie en gas. Alles waar de moderne samenleving naar smacht. Een niet te stillen verslaafd monster. Zonder deze goederen. Deze “quick-fix” zou het hele leven stil staan. Geld wordt niet meer rondgepompt. En dan zal het rondbrengen van goederen ook niet meer nodig zijn. Een lichaam dat een constante stroom van zuurstof nodig heeft om te overleven.
Maar dat lichaam slaapt nu. De enige geluiden zijn het kreunen van de meertouwen die rond stalen bolders zijn geworpen. Knopen die niemand, behalve de schippers zelf, begrijpen houden met een vuistdikke kabel een schip van tientallen of honderden tonnen vast op hun plek. De eigenaars en het personeel zijn binnen of thuis.
Aan het einde van de kade keer ik om. Nog niet terug naar huis. Ik heb pas een half uur gelopen, en ik wil nog een half uur. Misschien op weg naar plekken met meer levendigheid. Voor ook die stilvallen en ik als enige toeschouwer van het niets en de stilte zal zijn.