Midden in de nacht. Ik stond op het punt mijn ogen dicht te doen en te proberen te slapen. Het zou in de ochtend alweer vroeg dag zijn. Eigenlijk had ik nog heel even iets willen lezen om daarna mezelf om te draaien en weg te zakken. Maar ik was ruw onderbroken door een melding van mijn telefoon. Of beter: mijn deurbel.
Er was beweging gedetecteerd in mijn voortuin. In eerste instantie ging ik ervan uit dat het mijn kater Frank was. Die staat wel vaker voor de deurbelcamera die in Frank een mens denkt te herkennen en dus een melding geeft. Maar na meerdere meldingen besloot ik mijn telefoon te pakken en Frank streng toe te spreken. Binnen laten had ik geen zin in; dan moest ik weer uit bed, naar beneden, de deur open doen…
Maar op de foto van de meldingen zag ik in het grijze infraroodbeeld geen Frank. Ik zag een man die naar mijn deur staarde. Een man die zich gebogen had over mijn perkje van kiezelstenen.
Verbaasd zette ik het live-beeld aan. Wat had dit te betekenen? Een nachtelijke bezoeker op een van de koudste nachten van het jaar had dit moment uitgekozen om in mijn tuin te komen? Waarom? Hoezo? Wat deed hij in mijn tuin? Wat had hij te zoeken tussen de kiezels?
Ik zette het live-beeld aan en zag de man inderdaad wroeten tussen de steentjes. Even dacht ik dat het iemand was die had besloten onkruid te komen plukken. Aan de bewegingen kon ik zien dat dit een dronkenlap of een drugsgebruiker betrof en voor het eerst was ik blij dat er dronkenlappen op de wereld waren. Als die zich klem zouden zuipen om daarna bij mij in de tuin onkruid te komen plukken waren ze welkom.
Toch bleef het vreemd. Ik bestudeerde de persoon die nog altijd gebogen stond en met zijn vingers tussen de kiezels bleef plukken.
Later zou ik te horen krijgen van andere mensen dat ik in had moeten grijpen. Iemand die midden in de nacht op komt dagen en aan je tuin dingen begint te doen waren geen goede boodschap of goed nieuws. Die hadden een honkbalknuppel, mes of andere wapens gepakt en de tuinindringer met geweld een kopje kleiner of weggejaagd.
Maar ik deed dat niet. En ik kon, en kan, ook makkelijk uitleggen waarom ik niets deed en in bed bleef liggen staren. Ten eerste had ik geen zin in problemen. Zeker niet in het holst van de nacht tegen iemand die eigenlijk niets fout deed. Als iemand zich in mijn tuin wilde wagen om onkruid te plukken was die welkom. Ik kon naar beneden rennen en de man iets toeschreeuwen. Sterker: ik kon op een knopje drukken en de man via de deurbel tot de orde roepen!
Maar dat deed ik niet. En ik pakte ook geen wapen, of iets dat als een wapen gebruikt zou kunnen worden, om de man te verjagen dan wel aan te vliegen. De mensen die tegen mij zeiden dat ik iets had moeten doen vergaten dat ik niets heb om te verdedigen. Zij hebben een vrouw en kinderen in huis. Ik heb dat niet. Ik heb twee katten die redelijkerwijs voor zichzelf kunnen zorgen. En ik ga mezelf voor mezelf niet in de strijd werpen. Ik liep geen gevaar, mijn spullen liepen geen gevaar.
Bovendien, terwijl ik keek naar de ongecontroleerde bewegingen van de man die weer recht ging staan, kwam hij me bekend voor. Jaren had ik hem niet gezien. Jaren had ik hem niet gesproken. Ik dacht dat ik van hem af was. Maar nu ineens staat hij voor mijn deur.
De man, de mij bekende man, draaide nog een rondje door mijn tuin en verdween toen. Ik zag hem naar de stoep lopen en achter de struik uit het zicht verdwijnen. Ik wachtte. Eén minuut, twee minuten… ik was niet zeker wat ik moest doen. Wachten? Naar beneden? Slapen?