Hoe goden en godinnen kunnen vallen. Ik wist niet echt wat ik moest denken toen ik samen met mijn moeder en een vertegenwoordigster van het woonzorgcomplex aan tafel zat voor het intakegesprek van mijn oma. Terwijl we daar zaten, probeerde de vertegenwoordigster antwoorden te krijgen uit mijn oma. Antwoorden die zich herhaalden, niets zeiden of gewoonweg verzinsels waren.
Mijn oma was in mijn ogen altijd al oud. Logisch, ze is mijn oma! Maar wat ouder zijn werkelijk betekent kwam ik pas de laatste jaren langzaam achter.
Mijn oma was namelijk altijd actief. Actief in clubjes. Actief in de kerk. Actief met zwemmen, fietsen en wandelen. Ze deed ook een tijd lang vrijwilligerswerk in de Woonzorglocatie Lemmerskamp in Woudrichem. Ze las voor, dronk thee of koffie met de oudere mensen en ze hielp mee met koken en dienstjes. Daar vertelde ze mij eens over de mensen die dement waren en op hun eigen afdeling zaten.
Die hadden het erover dat ze op hun donder hadden gekregen van de meester, dat ze nog naar huis moesten. Tot een van de oudjes zei; “maar we zijn al thuis!”
Toen vond ik het grappig en triest tegelijk. Mensen die hun verstand langzaam verliezen. Die niet weten wat ze gisteren gedaan hebben, wat ze een uur geleden gedaan hebben en nauwelijks plannen hebben voor morgen. Het verleden weten ze zich nog perfect te herinneren. Hun meester, hun eerste vriendje, een onvoldoende op een lang geleden weggerot rapport. Maar het eten van die ochtend zijn ze vergeten.
“En zo ziet dat er dus uit.” Bedacht ik toen ik naar mijn oma keek. Van iemand die wandelde, fietste en zwom in iemand die nauwelijks het idee heeft dat ze in een levende wereld thuis is. Zo doof dat alle gesprekken over haar ook langs haar heen gaan. Zo vergeetachtig dat ze tijdens het gesprek de vertegenwoordigster tot drie keer toe complimenteerde met haar oorbellen. Zo kinds dat ze op gegeven moment zelfs vergeten was dat ik een kleinzoon van haar was.
Ze kende mij nog wel, maar behalve dat ik iemand was die ze graag zag en mocht was ze vergeten dat ik nu als zoon naast haar dochter aan tafel zat. En terwijl mijn oma antwoord gaf, en daarbij onbedoeld loog over haar actieve leven, voelde ik een tweesnijdend zwaard door de lucht klieven.
Het was hoog tijd dat dit gebeurde. Voor niemand was deze situatie leuk. Mijn oma was af en toe letterlijk de weg kwijt. Ze woonde alleen in een huisje met niemand die wist hoe het werkelijk met haar ging. Of ze wel at, of ze wel dronk. En het was ook al vaker voorgekomen dat ze letterlijk de weg kwijt was en ze midden in de nacht van straat gehaald moest worden. Of door een bezorgde buur thuis gebracht.
Voor mijn moeder die bij haar om de hoek woonde en geconfronteerd werd met het aftakelen van haar moeder. En niet alleen dat maar dat ze er ook nog eens de grootste zorg voor moest dragen. Want wanneer oma besloot dat ze de hort op ging kwam het oplossen van die situatie automatisch bij mijn moeder terecht. Deels gebaseerd op logica, want ze woont het dichtste bij. Deels omdat zij ook de enige was die met haar om wist te gaan. Een slopende en ondankbare baan. Want behalve dat mijn oma, op zijn ouderwets, kinds aan het worden was, is ze ook gruwelijk eigenwijs. En dat bovenop de wanen en fantasieën waarmee de vertegenwoordigster nu ook geconfronteerd werd. Mannen die midden in de nacht door haar woonkamer zouden dansen, haar portemonnee weghaalden. En dat ze alles zelf nog doet.
Tien jaar geleden misschien nog. Acht jaar ook. Vijf jaar geleden begon het al echt af te takelen en nu… nu zaten we hier.
Want de andere kant van het zwaard is ook dat ik de plannen had gelezen die moesten gebeuren wanneer mijn oma daar zou gaan wonen. Ze moest worden gebracht en achtergelaten. Daarna zou ze twee dagen geen contact hebben met familie of bekenden om te helpen met de instroming.
Ik moest slikken toen ik dat las. Dit klonk als de aanwijzingen van een dier dat je achterliet bij een dierenarts of een asiel. Ik begreep het. Maar het voelde niet fijn. Op gegeven moment pakte ik haar hand en kneep er even in. Oude en fragiele vingers knepen terug. Ik wist dat ik de les leerde die iedereen met een huisdier of een oude oma zichzelf wijs zou moeten maken: het is beter zo. Want soms moet het.