Een zonnige zondagochtend aan het begin van het einde van april. Geheel tegen mijn planning en verwachtingen in was ik al vroeg wakker. Ik at mijn ontbijt, keek een beetje tv. Geen plannen. Geen verplichtingen. Ook geen doel. De tijd liep door. Om negen uur begon het lawaai van de kerkklokken van Werkendam. Ze krijsten om aandacht. Als ijscoboeren opgetrokken uit steen, staal en hout. Maar in plaats van een bolletje vanille beloofden ze vergeving en zielenheil voor wie komen zou.
Ik vond een doel. Niet de kerk, maar ik had nog geen avondeten. Ik had het plan gevat om naar de maaltijdautomaat op het industrieterrein te gaan. Lekkere maaltijden die in een paar minuten in de magnetron opgewarmd zouden zijn. Of misschien een salade, een koude wrap of een poké bowl…
Ik moest een keuze maken over het moment om te vertrekken. Als vervoermiddel had ik de fiets uitgekozen. Even op en neer. Maar ik moest gaan voor de wegen van Werkendam vol zouden stromen met gelovigen. Niet dat ik een hekel heb aan gelovigen. Zelf heb ik god allang verloren. Maar de meeste van zijn bezoekers zijn op zondag zo wars van de verkeersregels dat het lijkt of ze moeite doen om eerder bij hun heer te zijn.
Ik moest dus eerder, of later, als ik niet een gezin in zondags pak op het fietspad wilde treffen. Door omstandigheden vertrok ik later. Ik racete over het fietspad, en met mij raceten pelotons van wielrenners. Er waren er die mij inhaalden. Er waren er die mij tegemoet kwamen. Als konvooien pubers onderweg naar hun school Vijf breed druk bezig met hun eigen hachje. Geërgerd dat deze eenzame fietser ze dwong om de vorm van hun konvooi aan te passen.
Bij de maaltijdautomaat koos ik mijn eten voor die avond en keek naar de lucht. Het was zonnig, het was niet al te koel. En ook niet al te warm. Waarom zou ik terugkeren naar huis? Ik kon ook door. Zodoende nam ik het impulsieve besluit om het fietspad verder te volgen. Over de dijk de polder in. Naar waar? Dat wist ik nog niet.
Ik verliet het industrieterrein. Ik verliet Werkendam. Over het fietspad over de dijk. Links polder. Rechts het water. Daarachter weer de natuur van de Biesbosch. Boven mij de zon, de blauwe lucht en enorme kastelen van witte wolken. De Amercentrale met zijn enorme grijze schoorstenen in de verte. Af en toe ingehaald door wielrenners. Af en toe wielrenners hinderend die in konvooi over de iets te smalle dijk koersten. Ik werd soms smerig aangekeken, maar mijn mening: ik had evenveel recht om daar te fietsen als zij!
Af en toe stopte ik om een gedicht te lezen dat op een bordje langs de kant van de weg was geplaatst. Woorden over de natuur. Over de Biesbosch. Inspirerend. Minstens zo inspirerend als het landschap.
Terwijl ik daar reed overviel mij een gedachte. Meer een ervaring. Sommige zouden het religieus kunnen noemen. Ik was niet aangeraakt door iets van boven. Maar juist door iets van beneden, Van iets om mij heen. Het uitzicht. Ik dacht aan de mannen die ooit deze dijk hadden gebouwd. Hadden gesleept met klei en aarde om het achterland te beschermen. De Hollandsche meesters die deze lucht hadden geschilderd. Onder deze lucht waren oorlogen gevoerd, liefdes opgebloeid. Keizers en koningen hadden rondgetrokken en hun wil op geprobeerd hun wil op te leggen aan mensen en natuur.
En nu was het aan mij. Een eigen schilderij. Een eigen poppenhuis. En ik leek de enige te zijn die dit wilde zien. De wielrenners keken er niet naar. De motorrijders op de weg lieten hun uitlaten knallen en deden het enkel om de weg. En ik was hier zonder doel en zonder plan.
Na meer dan een half uur keerde ik mijn fiets weer en trapte in tegengestelde richting. Later op de ochtend kwamen er meer mensen. Mensen die wél keken. En ineens zag ik een van de mooiste taferelen die ik ooit gezien had. Over het water voer een zeilscheepje. De zeilen vol in de wind. De vlag wapperend in top. En op de dijk reed een fietser die gelijk met het vaartuig op reed. Zo oerNederlands was was zelfs de gulden niet. Het duurde een paar tellen. Genoeg om een foto te maken. Te kort om echt van te genieten.
Terug in Werkendam gingen de kerken uit. Ik moest tussen de gezinnen op het fietspad door laveren en auto’s ontwijken. Hoedjes op. Vol van de heere… maar ik had in de kathedraal onder de blote blauwe hemel in al mijn atheïsme meer van god geproefd dan zij in hun gebouwen. Dat weet ik zeker.