Een van mijn favoriete dingen aan feestdagen, en dan vooral kerst en pasen, zijn niet de dagen waarop je uit kan en mag slapen. En eigenlijk ook niet het Urbi et Orbi, hoewel ik dat ook altijd leuk vind om te kijken. Die maken deel uit van het totaalpakket dat erbij hoort. Het is ook de chocolade, in de vorm van kerstboompjes of eitjes. Probeer alleen niet op het zilverpapier van de eitjes te kauwen…
Maar waar ik eigenlijk écht naar uit kijk zijn de stollen! Tegenwoordig heet het feeststol omdat het goedkoper is om ineens de dozen te printen. Maar het zijn natuurlijk kerststol en paasstol. Ze zijn hetzelfde, ze smaken hetzelfde en het zijn dezelfde broodsoorten. Een lang krentenbrood met poedersuiker overdekt en een spijsvulling.
Lekker dik af te snijden, rijkelijk voorzien van roomboter en dat beschouwen als ontbijt. Het maakt voor mij de feestdagen compleet. Natuurlijk, als je een echte zoetekauw bent, dan doe je nog meer poedersuiker of basterdsuiker over de roomboter. Een feestje voor de mond, ook al is het een calorieënbom tot en met natuurlijk!
Terwijl ik deze bom naar binnen zat te schrokken bedacht ik me dat het spijs, goed spijs, een van de lekkerste delen van het brood is. De krentjes, de suiker en het brood voegen toe aan de smaak. Maar het is het spijs dat er echt toe doet. En tijdens het eten herinner ik me dat ik vroeger eigenlijk geen spijs lustte. Mijn vader moest dat er steevast uit lepelen wanneer hij voor mij een stukje stol afsneed.
De poedersuiker, boter en krentjes waren lekker. Maar het spijs… ik gruwde ervan! Tot ik een keer weer spijs proefde en het wél lekker vond. Wat de omslag veroorzaakt heeft weet ik niet. Maar er wordt gezegd dat je sommige dingen moet leren eten en drinken. Een kind is, over het algemeen, wars van koffie, sla, spruitjes of tomaat. Tenminste, ik was dat wel.
Spijs, of amandelspijs, hoefde ik niet. Marsepein duwde ik weg. De smaak stond mij gewoonweg tegen. De bitterheid van de amandelen zorgde ervoor dat ik het gewoonweg niet lustte of wilde eten. En als een jongeling was ik natuurlijk gewoon overtuigd van mijn eigen gelijk. Zelfs bij een klein hapje: nee vind ik vies.
Uiteindelijk heb ik het dus “leren” eten. Tomaat en sla leerde ik waarderen toen ik besefte dat die spullen in een hamburger verstopt waren. Een goede maaltijdsalade kan ik tegenwoordig minstens zoveel waarderen als een hamburger. Koffie leerde ik drinken toen ik aanschoof bij een koffietafel van een vriend en ze een bakkie voor me schonken. Het zou nog wel enkele jaren duren voor ik de melk en de suiker weg liet. Over mijn wonderlijke reis om haring te leren eten heb ik het al eens gehad.
Maar er zijn ook gerechten die ik niet meer aanraak, soms nadat ik ze heb gelust. Zigeunersaus bijvoorbeeld. Vroeger was het een van mijn meest favoriete smaakmakers bij een biefstuk en schnitzel. Tot ik een keer naar een beetje van de saus keek en dacht iets te zien van twee ogen en een mondje. Ik was ervan overtuigd dat er een worm in de saus verwerkt was! Sindsdien hoef ik geen zigeunersaus meer. Zelfs als ik zeker weet dat er geen wormen in verwerkt zijn.
Mosselen zijn eenzelfde verhaal. De ambiance van het eten van mosselen kan ik waarderen. De stomende kenmerkende zwarte pan gevuld met zwarte openstaande schelpen en groenten. Het dippen in een sausje en zelfs de weeïge geur die een kokende mosselpan verspreidt.
Maar sinds ik een keer heel goed naar de inhoud en de vorm van een mossel heb gekeken is ook dat me tegen gaan staan. Het openstaande bekkie, een gommetje in een schelp, de karteltandjes en lippen. Eigenlijk is het om van te gruwelen. En dat onding kauwen we gewoon weg?
Misschien dat ik het ooit weer eens leer eten want ja, verandering van spijs… doet eten!