Normaal kijk ik tijdens de minuut stilte op 4 mei naar de koning. De ceremonie van de nationale herdenking op de Dam is ieder jaar weer een indrukwekkende gebeurtenis. De militairen in ornaat. De beelden van de half in stok hangende Nederlandse driekleur en het uitzicht over de Dam vanuit de positie van de altijd de aarde tillende Atlas op het dak.
Ik was zodoende nooit echt naar een lokale herdenking geweest. Tot vorig jaar. Ik ging toen in Sleeuwijk, en dit jaar besloot ik naar de herdenking in Werkendam te gaan. Een herdenking die soms omgeven is met controverse wanneer de vierde mei op een zondag valt.
Nu was het een maandag en maakte ik de wandeling vanuit mijn huis naar het monument van de Liniecrossers. Een mooi maar weinig heroïsch beeld. De beelden zijn van Arie van Driel en Kees van de Sande. Ze staan niet als helden zoals generaals en koningen vaak worden uitgebeeld. Ze staan ook niet dramatisch zoals het monument van Zadkine; de Verwoeste Stad in Rotterdam.
Ze staan er met hun petten op, brede jas en slobberige broek. Behoedzaam. Misschien zelfs een beetje angstig turend naar de verte. De een heeft zijn hand een beetje naar achteren, alsof hij de ander wil waarschuwen stil te zijn voor naderend onheil. Zo staan ze in brons gegoten te turen naar een vijand.
Het is bij dit monument waar in Werkendam ieder jaar de kransen worden gelegd. De vlaggen van verschillende geallieerde landen halfstok hangen en toespraken worden gegeven. En ook de twee minuten stilte worden gehouden.
De oudere mensen zitten vooraan, daarachter de kinderen en daaromheen mensen die vanwege welke reden dan ook aanwezig willen zijn. Een moment om te gedenken. En misschien om even een blik te werpen op het beeld en te bedenken wat voor een angst die mannen bij leven gevoeld moeten hebben. Met een beetje fantasie staan ze gewoon klaar om een drukke weg over te steken: “Ho! Effe wachten, Aai, er komt nog een vrachtwagen aan!”
Maar de werkelijkheid is natuurlijk dat een vrachtwagen je nooit op probeert te pakken en neer wil schieten wanneer je die tegen komt. Zoals wel Kees en Arie is overkomen. Een paar dagen voor het einde van de oorlog schoot een dronken Duitser ze dood. Maar hun offer mag niet vergeten worden. Zeker niet nu oorlog niet meer een schrikbeeld van ver weg in het verleden is maar zich steeds nadrukkelijker dichtbij af begint te spelen. Nu de geschiedenis, van regimes die internationale regels en verdragen naast zich neerleggen, zich herhaalt.
De generatie die de oorlog mee heeft gemaakt is dood of stervende. Mijn oma is achtentachtig en heeft de oorlog niet bewust meegemaakt. Maar ze weet nog wel graag te vertellen hoe ze haar vader verraden heeft. Niet bewust natuurlijk, maar ondanks haar vervagende geheugen weet ze dit nog feilloos te vertellen:
Aan de deur van haar ouderlijk huis kwam een Duitse soldaat om haar vader op te halen. Waarom is niet bekend, maar ik ga ervan uit voor de Arbeitseinsatz. Toen haar moeder de deur opende en de soldaat vroeg waar haar man was speelde die de vermoorde onschuld. “Ik heb geen idee, meneer.”
Waarop mijn oma, klein en onschuldig als ze was, meteen de waarheid zei: “nee hoor, hij zit boven in een kast!”
Ik denk dat de schrik bij mijn oudoma om het hart moet zijn geslagen. Gelukkig had ze een goede Duitser voor de deur staan die niet naar binnen stormde maar een tip gaf. “Mevrouw, uw dochtertje kan voortaan maar beter in de kamer blijven.”
Een wereld waar kinderen moeten leren hun mond te houden en de waarheid niet te vertellen of weten van oorlog ligt gelukkig ver achter ons. Dat werd voor mij bevestigd toen de erewacht stelling nam naast het monument en een klein jongetje op de schouders van zijn vader begon te wijzen. “Daar staat ome Adriaan! Hij is de enige met een rode pet.”
“En hoe heet zo’n pet?” Vroeg zijn vader.
“Ik weet het niet.” Was het antwoord van het jongetje. En ik hoop dat de werkelijke naam van dit militaire kledingsstuk dit nog heel lang een raadsel zal blijven.