Ik wil het weer hebben over het computerspel The Sims. Het is een soort poppenhuis maar dan op de computer. Je bouwt het huis, stuurt je sims naar het werk en ze brengen, als het goed is, geld mee terug.
De fascinatie zat bij mij vooral in het bouwen. Je straatarme Sim start in een hokje, en naarmate hij meer geld heeft bouw je zijn huis uit. Een woonkeuken wordt een woonkamer. De keuken gaat apart. De badkamer krijgt de beschikking over een bad én een douche. In de tuin ligt een zwembad.
Ik heb er nooit echt bij stilgestaan wat voor een traumatische ervaring dat geweest moet zijn voor de Sims, de mensjes in het spel. Want die veranderingen gebeuren spontaan. Het is niet dat er bij het aanbouwen van een vleugel eerst grondwerkers, bouwvakkers, stukadoors en uiteindelijk verhuizers langs komen. Nee, het spel gaat op pauze en elke klik die jij maakt, elk beeld dat jij plaatst en elke kamer die je aanbouwt verschijnt meteen. En je hardwerkende Sim is, door jouw bouwwoede, ineens een paar duizend armer.
Stel je voor dat dit in het echte leven zo is. Je vertrekt in de ochtend naar je werk en komt in de middag thuis. Ineens ligt er een zwembad in je tuin. Of je slaapkamer is verhuisd naar een heel andere vleugel! Of ineens heeft je bungalow een bovenverdieping! Het valt mij, achteraf, mee dat niet elke Sim om een psychiater schreeuwde!
Maar. Dat was nog een computerspel. Niet echt, een stel nullen en enen die uiteindelijk een beeld en een soort werkelijkheid weergeven. Stel dus voor dat je leven werkelijk zo in elkaar steekt. Of dat je denkt dat je leven zo in elkaar steekt.
Mijn oma woont al meer dan twintig jaar op haar huidige adres. Een bejaardenwoning die, toentertijd, was aangepast aan de laatste begrippen. Een grotere slaapkamer, beter glas, schuifdeuren en bredere deuren voor betere rolstoeltoegang.
En toch heeft mijn oma af en toe het idee dat ze in een nieuw huis zit. Daar kan ze zelf niets aan doen, dat is een deel van haar vorderende dementie. Het is grappig en tegelijkertijd triest. Vorig jaar ging ik een keer bij haar langs en ze wist me te vertellen dat ze er net was komen wonen.
“Ze hebben er wel een klus aan gehad hoor.” Voegde ze verder toe. “De meubels staan op dezelfde plek, het behang is hetzelfde, zelfs de vloer is hetzelfde. Ik heb ook dezelfde buren, want ik ken ze allemaal. Maar toch ben ik in een vreemd huis!”
Met oud en nieuw had ze het idee dat ze in een vreemd huis was waar ze op moest passen. Helaas kon ze daardoor ook geen boeken meenemen naar oudejaarsavond. “Ja, ik kan moeilijk in de boekenkast van een vreemde kijken om boeken mee te nemen!” Was haar uitleg waarom ze verder niets mee had genomen.
Toen ik vorig weekeinde even op de thee ging had ze dezelfde overtuiging. Ze vroeg of ik er al eens geweest was, en of ik het makkelijk had kunnen vinden. Tegenwoordig speel ik het spelletje maar mee. Al liet ik wel weten dat ik al eens geweest was en het zo wist te vinden.
Mijn oma staat inmiddels op de lijst om naar een verzorgingshuis te gaan. Dan zal ze helemaal in een nieuwe omgeving terechtkomen. Maar door haar dementie heeft ze wel wat weg van een Sim die tegen wil en dank zijn huis elke keer ziet veranderen.
Maar helaas is ze geen Sim en is haar steeds nieuwe verbazing over haar huis geen gebrek aan code. Het is een ziekte die elke dag aan haar zal vreten. Maar zolang oma nog blij verrast is, mogen wij ook blij zijn.