Vorige week, en de week daarvoor, schreef ik over hoe mijn slaapapneu werd ontdekt en hoe ik een zogenaamd cpap-apparaat kreeg aangemeten. Wat ik niet schreef was het ongemakkelijke gesprek met de slaaparts die mijn diagnose stelde. Want ondanks de uiteindelijke geboden oplossing en diagnose van apneu was hij niet heel vriendelijk, laat staan subtiel.
Voorafgaand aan het verlossende woord dat ik een apneu apparaat zou worden toegewezen, en daarachter een behandeling, deed hij uit de doeken hoe ik zo vaak (93 keer per uur) mijn adem in kon houden. En ook de gevolgen ervan. “Je bent te dik, veel te zwaar en als je er niets aan doet dan ben je binnen nu en vijf jaar dood.” was zijn stelling.
Nu kan ik met mijn eigen dood wel leven. Ik laat niemand achter, ben ervoor verzekerd maar helaas zijn er andere mensen in mijn leven die dit wel erg lijken te vinden. Toen ik het in mijn clubje van Dungeons and Dragons bekend maakte deden die een vlugge berekening en zeiden ze dat we nog wel zes, misschien zeven, jaar bezig zijn met de huidige campagne.
De arts had mij, en ook mijn huisarts had dat al gedaan, gewezen op een oplossing. Een GLI-traject. Niet puur diëten, maar een omslag in denken, voeding en psychologie. Oftewel: levenswijze. Ik zou lessen kunnen krijgen over gezonde voeding, sport en over problemen, al dan niet mentaal, waar ik tegenaan zou lopen.
Aanvankelijk zag ik dit niet zitten. Ik had al geaccepteerd dat ik dik was, dik zou blijven en daarmee ook dat ik vroeg zou sterven. Dood zijn is voor mij geen probleem, het dood worden is iets dat mij tegen staat. Maar als dat is door een hartaanval in mijn slaap…
Dik ben ik al sinds mijn kindertijd. Ik was altijd al breed gebouwd, maar dik werd ik in één zomer toen ik tien was. Ik haalde op de camping altijd broodjes bij het winkeltje vooraan. Ik fietste, of liep, met een tientje en bestelde warme broodjes en croissantjes. Normaal waren het saaie en onopwindende wandelingen in het vroege ochtendlicht van juli en augustus (en in andere weekends en schoolvakanties).
Op deze ochtend liep het echter anders. Ik weet niet meer wie met mij mee liep, maar we kwamen in een laantje met stacaravans twee jongetjes tegen waarmee we onmiddellijk ruzie kregen. Het jongste kind had een takje vast, mijn kompaan van dienst greep dat vast en brak het in twee. Kind zet het op een brullen en een woedende vader komt uit de stacaravan gestormd.
Bang voor problemen, en misschien een aframmeling, zijn we gaan rennen. Op een gegeven moment was ik zowel mijn medeloper als de vader kwijt. Bang om de beste man weer tegen te komen heb ik mijn jas binnenstebuiten aangedaan, heb ik het brood gehaald en ben ik teruggegaan naar onze eigen caravan.
De rest van de zomer durfde ik nauwelijks nog buiten te komen. Ik doodde de tijd met het spelen op de Super Nintendo of in de buurt. Bang als ik was dat de vader alsnog wraak zou komen nemen. Ik deed niet meer mee met activiteiten van de recreatieclub. Maar ik at wel nog steeds als iemand die actief was. Ik werd die zomer breder, dikker en zwaarder. Een trend die zich in de jaren erna voort zou zetten.
Op mijn achttiende woog ik boven de honderd. Toen ik vijfentwintig was honderddertig. Dat was eigenlijk het moment dat ik min of meer had besloten dat er wel iets moest veranderen. Ik probeerde te gaan sporten, ik probeerde te zwemmen, ik probeerde gezonder te eten.
Proberen werd falen en ik gaf het op. De honderdveertig passeerde en toen ik het gesprek had met de slaaparts, tikte ik boven de honderdvijftig kilo.
Natuurlijk weet ik dat het niet gezond is. Maar voor wie moest ik veranderen? Voor mezelf niet. Voor de rest van de wereld? Ik heb geen kinderen die ik achterlaat. Nu niet, en over vijf jaar waarschijnlijk ook niet. Geen vrouw of vriendin die snikkend naast mijn kist staat. Waarom zou ik mezelf in het zweet en de stress werken voor iets waar alleen ik het slachtoffer van was?
Bovendien was er nog tijd.
En nu vertelde die slaaparts dat mijn tijd er bijna op zat. Na het gesprek zat ik in dubio. Moest ik zijn waarschuwing ter harte nemen en naast me neerleggen? Of moest ik er iets aan doen? Wilde ik dat laatste wel? Uiteindelijk mompelde ik de woorden die ik mezelf vaker voorleg bij moeilijke en lastige beslissingen die niet leuk zijn: come what may.